|
|
|
|
||||||
|
||||||||
|
Al de informatie op deze site is beschermd door het auteursrecht.
|
|
Biografieën van de website over Griekse MuziekNikos PapazoglouHedendaagse populaire muziek Reeds meer dan twintig jaar gaat deze zanger, componist en tekstschrijver onverstoorbaar zijn eigen weg. Onveranderlijk, standvastig en trouw, dat zijn de drie woorden die hem het beste omschrijven. Trouw aan zijn ideeën, zo is hij nooit in de verleiding gekomen om toegevingen te doen omwille van de "commercie". Trouw aan zijn vrouw en kinderen, voor wie hij steevast in het winterseizoen tijd vrijmaakt. Trouw ook aan zijn geboortestad Thessaloniki, hij is immers nooit van plan geweest om permanent naar Athene te trekken zoals zo velen doen in dit vak. En last but not least, trouw aan zijn "look". Naar eigen zeggen is hij hier niet echt mee bezig, maar wie hem ooit ontmoette herinnert zich ongetwijfeld de jongensachtige figuur met de lange haren, gehuld in jeansbroek en dito hemd, met het onafscheidelijke rode sjaaltje om de hals... Ondanks dit alles, of precies mede daardoor, wordt Nikos Papázoglou een beetje als een rebel aanzien.
Hij werd geboren in Thessaloniki in 1948. Nikos Papázoglou heeft geen hogere studies genoten, maar nieuwsgierig als hij was, keek hij al snel allerhande vaardigheden af van mensen uit zijn omgeving. Ook op muzikaal gebied was dat zijn leerschool. Van jongs af aan speelde en zong hij in allerhande groepjes, aanvankelijk vooral Amerikaanse muziek, zoals Bob Dylan, bij wijze van protest tegen de Kolonelsdictatuur . Toen hij zijn eerste job kreeg bij een beroepsorkest, leerde hij zo de beginselen van de stembeheersing. Hij interesseerde zich eveneens in (geluids)techniek en opende vrij vroeg zijn eigen opnamestudio Agrotikón in Toumba (bij Thessaloniki). Sedert 1977 heeft hij aan tal van platen meegewerkt, al dan niet opgenomen in zijn studio, alvorens met eigen producties te beginnen onder het label Strongili Diski (Ronde platen). Hij werkte onder andere samen met Dionysis Savvópoulos en in 1981 met de groep "Chimeriní kolimvités" (Winterse zwemmers). De samenwerking met Savvopoulos gaf hem een duwtje in de rug. Zo werkte Papazoglou in 1977 mee aan de veelbesproken theateropvoering "Acharnís", waarbij Savvopoulos tal van jong en onervaren talent opvoert, en in 1979 zingt hij vijf liederen op de plaat "I rezérva" (De reserve), waarmee Dionysis Savvopoulos platina behaalde. Nikos Papazoglou kende Savvopoulos reeds als kleuter. En toen al kreeg de vier jaar oudere Savvopoulos een opvoedkundige rol toegewezen. Hij werd namelijk door Papazoglou en zijn vriendjes betaald - zij schaarden daarvoor al hun zakgeld bij elkaar - om naar de bioscoop te gaan en hen daarna het relaas van de film te doen. Zij waren toen immers nog te klein om tot de bioscoop toegelaten te worden. De eerste plaat die in de studio van Nikos Papazoglou opgenomen werd was "I ekdíkisi tis giftiás" (De wraak van de zigeuners) uit 1978. Daarvan werden de meeste liederen op muziek gezet door Nikos Xydákis en de teksten zijn van Manolis Rasoúlis. Nikos Papázoglou zingt zelf het merendeel van de liederen, maar schreef ook de muziek voor twee ervan. Andere vertolkers zijn Dimitris Kontogiánnis (bij ons nog in oktober 2002 te gast) en Sofía Diamandí. De plaat werd eerst met argwaan onthaald - in de tijd na de militaire junta stond alles immers in het teken van de politieke omwenteling - maar sloeg toch aan. De tweede plaatopname in zijn studio dateert van 1979, nl. "Ta Díthen" (De zogenaamde), en werd gerealiseerd door hetzelfde team van mensen (dezelfde componist, tekstschrijver en zangers/zangeres). Op deze plaat bevindt zich het befaamde liedje "I manges den iparchoun pia" (Manges bestaan niet meer), gezongen door Nikos Papázoglou. Dit lied werd zeer populair en wordt o.m. ook door Charis Alexiou vertolkt. We moeten echter tot 1984 wachten alvorens zijn eerste persoonlijke plaat verschijnt en dat is "Charátsi" (Hoofdgeld. Met dit woord werd de zware belasting bedoeld die Christenen moesten betalen in de Turkse tijd). Deze plaatopname bevat negen zelf gecomponeerde liedjes. Nadien volgt "Méso Nefón" (Via de wolken), uit 1986, met mooie nummers als "O monachós o ánthropos" (De eenzame man) en "Físixe o Vardáris" (De noordenwind blies), beide door hem gecomponeerd. Toch blijven tekstschrijver Manolis Rasoúlis en componisten als Nikos Xydákis en Vaso Allayánni nog een belangrijke rol spelen in zijn repertoire. Er volgen nadien nog betekenisvolle samenwerkingen, zoals die met Glykería in 1985 en met Charis Alexiou , met wie hij in februari 1989 mee op Europese tournee ging. Het jaar 1984 lijkt wel in menig opzicht beslissend te zijn geweest voor Nikos Papázoglou. Er is niet alleen zijn eerste eigen plaat, maar het is tevens het jaar waarin hij voor de eerste keer naar Athene afzakt voor een reeks optredens. Aanvankelijk had hij eigenlijk nog helemaal niet aan optreden gedacht, laat staan in Athene. Maar op een avond, in 1979, terwijl hij met zijn brommertje in Thessaloniki voor de verkeerslichten stond, kreeg hij zijn eerste aanbieding om ergens op te treden... vanop een andere motorfiets die naast hem stond te wachten. Hij hapte toe, maar er was wel een klein probleempje: hij had hoegenaamd nog geen begeleidend orkest. Op dat moment was er trouwens maar één persoon die zijn liedjes op de bouzouki kon vertolken en dat was een arts uit Athene. Deze stemde in en Nikos zocht nog een paar andere vrienden en kennissen op om hem te begeleiden. Na een paar optredens hadden ze de smaak te pakken. Met een VW-bestelwagentje reden ze heel Noord-Griekenland af, overal naartoe waar ze ook maar gevraagd werden. Tot zijn kleine orkestje behoorde in die tijd Kostas Vómvolos, u waarschijnlijk reeds bekend van de groep "Primavera en Salonico", die Savina Yannatou heeft begeleid. In die periode werd hen al eens gevraagd om in Athene op te treden, maar Nikos Papázoglou weigerde steevast... Tot hij in 1984 vond dat hij er klaar voor was. Op eigen initiatief huurde hij toen de "Zoom" af in de Plaka, een boîte die voordien twee jaar gesloten was geweest. Hij had daartoe zijn eerste orkestje "Tachía Thessaloníkis" (Thessaloniki Express) opgericht met professionele musici die hij veertig dagen lang het dubbele tot het driedubbele van hun normale loon had beloofd om samen deze reeks optredens te kunnen waarmaken. Het werd een succes, de zaal zat iedere dag afgeladen vol. Toch hield hij er een kater aan over. Het bleek namelijk dat de uitbater van de "Zoom" hem deskundig in de luren had gelegd en na afloop zat Papázoglou dan ook tot over de oren in de schulden. Later zou hij slechts sporadisch, en met veel tegenzin, naar de hoofdstad terugkeren. Eén van de weinigen die hem daartoe konden overhalen was wijlen Manos Hadjidakis. Hadjidakis organiseerde in de periode '87-'88 verschillende optredens in een andere muziekclub in de Plaka, nl. de "Sirios". In 1988 werd met een compilatie van die optredens van verschillende zangers en groepen, waaronder Nikos Papázoglou, een platenreeks gemaakt. De titel van die platenreeks is: "Sto Sirio iparchoune paidia", uitgegeven door Hadjidakis' eigen platenmaatschappij, eveneens Sirios genaamd. (Zie ook Eleftheria Arvanitaki , Loudovikos ton Anogion , Nikos Xydakis , Elli Paspala en vele, vele anderen). Een tweede orkestje werd opgericht, "Loxí Fálanga" (Schuine falanx. Let op de creatieve namen die Papazoglou telkens weer uit zijn mouw schudt). Dit orkestje bestond aanvankelijk uit allemaal amateurs, maar werd later aangevuld met professionele muzikanten en vrienden van hem afkomstig van andere jeugdige orkestjes en groepen. Vele jongeren die ooit met Papázoglou samenspeelden, zijn nadien hun eigen weg gegaan en hebben die ook gevonden. Onder hen bijvoorbeeld Sokrátis Málamas , een goede vriend van hem, een goede zanger en gitarist. Met Malamas als gitarist en met Manolis Páppos op de bouzouki nam hij in 1990 de cd "Sínerga" (Gereedschap) op. Maar ondanks de kameraadschappelijke sfeer heeft Nikos Papázoglou de reputatie zeer veeleisend te zijn voor zijn begeleidende muzikanten. Er moet volgens hem bij ieder van zijn muzikanten eenzelfde muzikale visie aanwezig zijn en een voortdurend streven naar beter. Wie té zelfzeker wordt gaat op de duur zonder inhoud spelen, vindt hij. Ook is hij zeer streng wat alcoholgebruik betreft. Het ergste wat hem ooit is overkomen is dat hij een optreden moest afblazen - de zaal zat toen al vol - omdat zijn orkest zich zo grondig moed had ingedronken dat het niet meer in staat was een deftige noot te produceren. Nikos Papázoglou heeft een lange weg afgelegd en dat is volgens hem dé sleutel tot succes. Hij is bescheiden begonnen, met zijn eigen ritmen, een eigen publiek en een persoonlijke visie. Aan het begin van zijn carrière waren er nog geen culturele rubrieken in de kranten die artiesten een duwtje in de rug gaven en werden opkomende zangers ook niet door de radio gepromoot. Op zijn eerste optreden waren welgeteld dertig mensen komen opdagen. Maar gaandeweg, naarmate hij bekendheid verwierf, werden het er steeds meer. Zijn repertoire wordt gekenmerkt door traditionele, volkse ritmen. Ondanks de hardnekkige buitenlandse rock- en popinvloeden die de Griekse jeugd, inclusief hemzelf, uiteraard niet onberoerd hebben gelaten (op de platen uit zijn beginperiode zijn die rockinvloeden nog duidelijk hoorbaar), gaat hij met zijn muziek opnieuw op zoek naar de authentieke Griekse muziekstijlen. Daarmee behoort Papázoglou tot de (nieuwe) generatie Griekse muzikanten die zich Neo Kima (Nieuwe Golf) noemen. Hij vermijdt elektronische instrumenten en synthesizers. Traditionele akoestische instrumenten liggen hem beter. Zelf speelt Nikos Papázoglou trouwens, naast gitaar, ook nog bouzouki en baglamas . Dat neemt niet weg dat hij bij openluchtconcerten noodgedwongen, omwille van de draagkracht, toch ook gebruik maakt van een elektrische gitaar, slagwerk en drums. Op zijn concerten zingt hij nieuwe liederen, maar ook liederen die reeds meer dan twintig jaar meegaan. Hij wil niet per definitie vernieuwend zijn. Zijn verschillende composities hebben een aantal gemeenschappelijke elementen, naast natuurlijk zijn manier van zingen en zijn stemtimbre. Men hoort er duidelijk rembetika-invloeden in. Hij wordt vaak beschouwd als een hedendaagse rembetis . Het zijn vooral de oosterse wortels van de Griekse muziek die hem aantrekken, niet in het minst omdat zijn moeder, een vluchtelinge uit Klein-Azië, vaak in tranen liederen uit haar patrida , haar geboortestreek, voor hem zong. En dat dit indruk op hem heeft gemaakt bewijzen een aantal door hem gecomponeerde liederen, al dan niet op teksten van zijn hand, die herinneren aan de Megali Katastrofi van 1922. Neem bijvoorbeeld de liederen "Fani" (Vuurtorens) en "Yayaka" (Omaatje) van de cd "Otan kindinevis pexe tin pourouda" (Als je in gevaar bent, knijp dan in de toeter). De titel van deze cd uit 1995 is een verhaal op zich. Papázoglou kwam het opschrift tegen op een bordje in het wachthuisje van een uitkijkpost in Lefkosia (Nicosia, op Cyprus). De schildwacht moest een uiterst gevaarlijk punt op de "Green Line", tussen het noordelijke ( door Turkije sinds 1974 bezette ) deel van Cyprus en het zuidelijke (Griekse) deel van het eiland, bewaken. Het fascineerde Papázoglou enorm dat in deze tijd van nieuwe technologieën zoals alarminstallaties en mobiele telefoons, er in geval van nood toch nog liever beroep wordt gedaan op een betrouwbaar, primitief en draadloos communicatiemiddel. De bewuste toeter hing inderdaad aan een nagel naast het bordje. Hij trekt de vergelijking door naar zijn muziek, want ook hij wil muziek maken die gefundeerd is op een traditionele en stevige basis. (Op laatstgenoemde cd neemt Kyriákos Gouvéndas de viool voor zijn rekening. U heeft deze violist allicht opgemerkt tijdens één van de vele concerten georganiseerd door Sferra. Hij begeleidt immers vaak Griekse artiesten op hun buitenlandse tournees.) Nikos Papázoglou heeft niet alleen aandacht voor de muziek maar besteedt ook zeer veel zorg aan de keuze van de teksten. Liederen moeten een inhoud hebben. Hits die vijf minuten na elkaar hetzelfde refrein afdreunen zijn aan hem niet besteed. En toch zingt hij over eenvoudige dingen, die ieder van ons aanbelangen, zonder echter te vervlakken in het lichtere genre. Daarvoor houdt hij zich bewust aan de vier grote thema's van het bredere populaire lied: het leven, de dood, liefde en verraad. Alles welbeschouwd heeft Nikos Papázoglou in z'n eentje de zogeheten School van Thessaloniki gecreëerd. Zangers, zangeressen en groepjes zoals Sokrátis Málamas , Orféas Perídis, Thanasis Papakonstantínou (niet te verwarren met Vasilis), Melina Kaná en Mikrés Pereplanísis (Kleine Rondzwervingen) zouden nu misschien nergens staan zonder zijn steun. Hij heeft hen ontdekt en zij mochten allen hun liederen opnemen in zijn studio. Papázoglou heeft blijkbaar een neus voor opkomend talent en financiert, zorgt voor de orkestratie en produceert tot twee platen per jaar voor mensen die elders (nog) niet aan de bak komen. Een goed voorbeeld hiervan is Orféas Perídis. Die had nl. reeds een contract met een platenmaatschappij toen hij een plaat wou opnemen, maar die platenmaatschappij weigerde de plaat te produceren. Toen Papázoglou aanbood om het klusje in zijn studio te klaren en Orféas het contract met de bewuste maatschappij wou beëindigen, toen kon het ineens wel. De plaat werd een bestseller! Nikos Papázoglou doet zo veel mogelijk zelf. In zijn studio regelt hij zelf de administratie, herstelt of vervangt defecte apparatuur, staat in voor de organisatie en bovendien regelt hij zelf zijn eigen optredens. Zoals gezegd helpt hij er ook anderen op weg, met vallen en opstaan, zoals ook hij het vak heeft geleerd. Maar hij neemt ook tijd voor zichzelf, voor zijn familie en zijn hobby's. Op die manier kent hij geen stress en houdt hij zijn tijdschema in eigen hand zonder aan iemand ooit verantwoording te moeten afleggen. Hij noemt zich zelf een tevreden man en put nog iedere dag vreugde uit alledaagse dingen en offert dat niet op aan zijn succes. Toch heeft zijn muziek hem geen windeieren gelegd. Zijn "brommertje" heeft hij intussen ingeruild voor een BMW R26, waarmee hij naar zijn studio rijdt. Daarenboven beschikt hij over een eigen boot en zelfs een eigen vliegtuig(je?). Op het grote domein buiten Thessaloniki waar hij leeft, geniet hij bovendien van zijn paarden en een bloeiende tuin. 's Zomers gaat Nikos Papázoglou steevast op tournee doorheen gans Griekenland. Hij treedt er op in grote zalen, maar geeft ook concerten op bescheiden plekken, soms voor een handvol mensen. Hij heeft graag voeling met zijn publiek en speelt voor mensen die van zijn liedjes houden, waar die zich ook mogen bevinden. Dat brengt niet altijd veel geld in het laatje, maar schept wel de meeste voldoening. Moeilijk toegankelijke plaatsen, in afgelegen gebieden, in droge rivierbeddingen, in ruïnes, het schrikt hem allemaal niet af. Wanneer soms de geluidsapparatuur met driewielers, muilezels, of desnoods door mankracht ergens naartoe moet gedragen worden, dan sjouwt hij zelf ook mee. Naar eigen zeggen helpt hem dat om in de juiste stemming te komen. Op het einde van nagenoeg iedere zomer treedt hij op in het theater Lykavittoú, een vaste plek, waar in 1991 een liveopname werd gemaakt. Toen vertolkte hij o.m. het liedje "Póte Voúdas, póte Koúdas" van Petros Vayópoulos en reeds eerder vernoemde tekstschrijver Manolis Rasoúlis. Een tweede vaste plek die steevast als afsluiter op zijn programma staat is Thessaloniki, letterlijk zijn thuishaven. Nikos Papazoglou trad bij ons reeds op samen met Charis Alexiou in 1989 en in april 1996 onder meer in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel in het programma "Rembetika, roots and fruits", op de affiche stonden toen ook Iordanis Tsomidis en de groep Opisthodromikí kompania. In maart 2002 was Papazoglou er weer voor twee optredens, waarvan minstens één voor een overvolle zaal in Antwerpen, waarmee bewezen werd dat hij ook hier een grote schare fans heeft. Laatst bijgewerkt op :
2002-03-01 |
|||||||||
|
||||||||||
|